I. Forrester, Nederlandse clubmakers in de periode 1890 tot 1939

Nederlands Clubmakers in de periode 1890 tot 1939.

Het werk van een golfprofessional in de beginperiode van golf in Nederland was veelzijdig. Hij diende niet alleen les te geven aan de clubleden, maar moest ook veel andere diensten leveren: spelen met leden, deelnemen aan wedstrijden, handicaps organiseren en caddiemaster zijn. 

Een van zijn belangrijkste taken was golfclubs maken voor leden van de club. Het maken/leveren van clubs was lang niet zo makkelijk als dat vandaag de dag is. Alles was met de hand gemaakt, er zaten vele uren werk in iedere club. Een bekwaam clubmaker was een echte ambachtsman, en zijn bekwaamheid kon een grote invloed hebben op het spelplezier van zijn klanten.

Het maken van een golfclub was een lang proces dat begon met het maken van de kop van de club. Een professional bestelde de ijzeren koppen direct bij een Schotse fabrikant. Hij gaf bij de bestelling het gewenste gewicht van de club door en kocht van de fabrikant een stempel met zijn naam en de naam van de club waarvoor hij werkte. De fabrikant gebruikte deze stempel om zijn clubs van een merk te voorzien. Bij houten clubs deed de professional de fabricage zelf. Beginnend met een blok persimmonhout kon hij een clubhead vormgeven door te werken met verschillende raspen. Hij kon dan zelf bepalen hoe zwaar de kop werd door extra lood in de kop te smelten en kon bepalen wat voor een vorm het best paste bij de speler voor wie hij de club maakte. Alles was maatwerk, vrijwel iedere club werd op bestelling van een specifiek klant gemaakt. Van een voorraad clubs in een winkel was nog nauwelijks sprake.

Na het maken van het clubhoofd was de volgende stap om de club te voorzien van een hickory shaft. De professional kon de torsie van de shaft bepalen door naar de groeiringen te kijken, flex kon worden aangepast door de taper van shaft te veranderen in verschillende manieren, en de kick point kon worden bepaald door het dunste punt van de shafts hoger of lager te maken. 

Als de kop en de shaft waren gepolijst en gelakt, was de laatste stap om de shaft te voorzien van een leren handvat. Deze werd vanzelfsprekend in verschillende dikten gemaakt.

Als de club helemaal klaar was kon de professional die verkopen aan zijn klant. Er was geen sprake van vrije handel, de golfclub legde contractueel vast wat een professional mocht vragen voor een club.

In Nederland waren er verschillende professionals die het clubmaking ambacht hadden geleerd, meestal van hun eigen professional toen zij nog assistent waren. 

Na de Tweede Wereldoorlog is het vak van clubmaker langzaam uitgestorven, meer en meer clubs werden gemaakt in grote fabrieken en massaproductie maakte het onrendabel om handgemaakte clubs te produceren.

In de 19de eeuw waren er maar twee professionals actief in Nederland

De allereerste clubmaker van Nederland was John Duncan Dunn, een 3de generatie Schots clubmaker die zijn eigen fabriek had in Bournemouth en Mitcham (VK). Dunn heeft geen clubs zelf in Nederland gemaakt maar liet de clubs overkomen om te verkopen aan de eerste golfers van Nederland (1890 tot 1895). Zijn clubs waren van de hoogste kwaliteit en waren bedoeld om te gebruiken met de oude Guttie bal. Zijn clubs zijn herkenbaar aan het dikke handvat, de koppen van zijn ijzers hadden geen grooves en zijn houten waren longnose clubs met en scare splice.

Zijn opvolger op de Haagsche had ook de naam John Dunn (Haagsche 1895-1910). Hij was geen ervaren golf pro en hij moet de basisvaardigheden hebben geleerd van zijn naamgenoot. De clubs van John Dunn zijn zeldzaam en maar een of twee dateren van de 19de eeuw. Daarna heeft hij clubs gemaakt onder de naam Dunn & Son tot circa 1910.

Met de nieuwe eeuw kwam golf in Nederland langzaam op gang. Het aantal golfprofessionals werkzaam in Nederland groeide mee. 

Een chronologische lijst van professionals die clubs hebben gemaakt:

Albert J. Ife, (Haagsche 1903-07, Doornsche 1907-10, Haagsche 1910-1927). Albert was beroemd over de hele wereld als clubmaker. Heeft in Nederland sublieme longnose putters gemaakt en zijn clubs zijn voorzien van de stempel ‘AJ IFE maker’. 

Bertram Dunn (Oranje GC 1903-10 en Noordwijk 1914-1955). Na de samenwerking met zijn vader John heeft hij zeer mooie clubs gemaakt op Noordwijk, tot 1930 met hickory shafts en daarna met stalen shafts.

Henry Burrows (Doornsche 1910 – 17 en Voorne) zijn clubs zijn verassend zeldzaam. Burrows was vooral geïnteresseerd in architectuur en baanverzorging, hij heeft waarschijnlijk weinig clubs gemaakt.

Edward J. Hill (Kennemer 1910-12, Hilversumsche 1913-23) was een relatief onervaren clubmaker. Zijn ijzers wordt sporadisch gevonden.

Jacob Oosterveer (Kenemmer 1917-26, Toxandria 1927-32) was bekend als speler, maar heeft clubmaking van Ife geleerd. Zijn clubs zijn van goede kwaliteit. Hij heeft vaak van baan veranderd en gebruikte zijn naam met Holland als stempel.

E.N. Kettley (Kennemer) was maar kort in Nederland omdat hij is opgeroepen door de Britse Leger in 1917, hij heft mooie houten clubs gemaakt in kleine aantallen.

Frank Spalding (Twentse 1926-34). De eerste clubs dat hij verkocht waren van Cochranes met de stempel Spalding’s Special. Daarna heeft hij prachtige houten clubs gemaakt met het stempel van de Twentse.

Leslie King (Kennemer 1927-47). Hij gebruikte verschillende fabrikanten om zijn ijzeren koppen van te maken. Gebruikte ook verschillende clubstempels o.a. Zandvoort GC, Kennemer GC.

Jos van Dijk (De Pan 1917-58). Ondanks zijn lange verblijf op de Pan zijn zijn clubs relatief zeldzaam, bijna al zijn ijzers kwamen van William Gibson (Kinghorn). Hij heeft waarschijnlijk de fabriek bezocht toen hij het Open in St Andrews speelde in 1927.

Bert Lambert (Haagsche 1927-40). Zijn clubs met een hickory shaft zijn zeldzaam, hij heeft heel veel clubs met een stalen shaft gemaakt. In 1938 importeerde hij 250 stalen shafts per maand!

Charles Warren (Knokke, België, 1910-27). Ondanks dat Warren nooit in Nederland heeft gewerkt, heeft hij veel clubs verkocht op de Domburgsche (waar hij ook de baan heeft aangelegd). Alle clubs hadden de stempel van Knokke.

William Woodward (Eindhoven 1928-34). Woodward heeft clubs gemaakt voor spelers voordat de Eindhovense in 1930 openging. Zijn houten clubs zijn prachtig, hij kocht veel ijzers van Jack White van Sunningdale.

Piete Witte (Dommel 1929- 62). Hij leerde het vak als assistent van Douglas Monk op de Hilversumsche. Witte heeft verrassend weinig clubs gemaakt, allemaal in de stalen-shaft-periode. Hij verkocht zijn clubs op Eindhoven, Toxandria en de Dommel.

W.G.L. Raglass (Toxandria 1932-40). Heeft het vak geleerd van Witte en heeft clubs gemaakt op Toxandria tot de Tweede Wereldoorlog. Hij is in 1940 opgepakt en naar de beruchte Colditz gevangenis gestuurd.

Douglas Monk (Hilversumsche 1923-39 en 1948- 57). Zijn passie was clubmaking. Hij bleef liever in zijn werkplaats dan dat hij les gaf op de baan. Heeft veel clubs van de hoogste kwaliteit gemaakt. Na 1935 maakte hij alleen clubs met stalen shafts.

Gerard de Wit (Haagsche). Als toernooispeler had hij weinig tijd om clubs te maken, maar heeft als assistent op de Haagsche het vak geleerd. Promotieclubs met zijn naam zijn te vinden.

Wim van Dijk (Amsterdam 1934-54). Heeft alleen clubs met stalen shafts gemaakt.

D. Lloyd (Rotterdamsche GC, 1934-36). Lloyd heeft clubmaking geleerd van Dunn in Noordwijk. Hij heeft clubs gemaakt met stalen shafts.

Jan Blaansjaar (Hattemse, 1930-60). Zijn clubs zijn relatief zeldzaam en hij heeft waarschijnlijk niet al te veel clubs gemaakt.

Het ambacht van clubmaking is grotendeels verloren gegaan na de Tweede Wereldoorlog. Professionals vonden het veel makkelijker om kant-en-klare clubs te bestellen van fabrikanten. Een begrijpelijke beslissing, maar ook een met grote consequenties in latere jaren. Door de persoonlijke binding met hun klanten te verliezen en hun adviesrol deels kwijt te raken, stelde de professional bloot aan concurrentie met grote sportwinkels.

Er zijn minder dan 100 hickory clubs bekend met de stempel en naam van een Nederlandse professional en golfclub. Soms zijn ze nog te vinden op rommelmarkten. Als je een club hebt en meer over wilt weten aarzel niet om meer informatie te vragen.

Iain Forrester

Namens de NGF Erfgoed commissie