Europese Golfpas
Eind jaren tachtig stond de Europese golfsport voor een uitdaging. Steeds meer golfers reisden internationaal en hadden behoefte aan een uniform legitimatiebewijs. Tot dan toe bestond er een lappendeken aan nationale regelingen, zoals de Nederlandse groene kaart (1978) en het GVB (1986). Deze dienden als toegangsbewijzen tot banen, maar waren beperkt tot het eigen land.
In 1989 constateerde de NGF dat het succes van het Golfvaardigheidsbewijs en de Zweedse groene kaart (Grönt Kort) model stonden voor een bredere, internationale oplossing. De gedachte ontstond om een Europese Golfpas te introduceren, erkend door de European Golf Association (EGA), zodat golfers met één bewijs ook in andere landen geaccepteerd zouden worden.
Per 1 januari 1991 werd de eerste stap gezet: nationale GVB’s konden voortaan worden uitgegeven met het EGA-logo. Daarmee werd het Nederlandse GVB automatisch een Europees erkend bewijs van speelvaardigheid. Voor veel golfers betekende dit dat reizen en spelen over de grens aanzienlijk eenvoudiger werd.
De pas was meer dan een formaliteit. Hij bouwde voort op de bestaande nationale initiatieven: de groene kaart had sinds 1978 bewezen dat een legitimatie met speltoets de toegang tot banen kon reguleren, terwijl het GVB in Nederland inmiddels de standaard was voor beginners. De Europese Golfpas verenigde deze praktijken en gaf ze een grensoverschrijdende dimensie.
In de jaren negentig volgde de invoering van het EGA-handicapsysteem, waardoor handicaps in heel Europa op dezelfde manier berekend werden. Uiteindelijk werd dit systeem in 2020 vervangen door het World Handicap System, dat handicaps wereldwijd vergelijkbaar maakte.
De Europese Golfpas was een cruciale stap in de internationalisering van golf. Hij bood herkenning, uniformiteit en vertrouwen, en legde de basis voor de huidige wereldwijde harmonisatie van handicaps en toegang.
Zie ook:
Artikelen: