Aangeslotenen

Toen het Nederlandsch Golf Comité in de jaren zestig groeide, ontstond behoefte aan een tussenvorm tussen “volwaardig lid” en “helemaal buiten de organisatie”. In de statuten van 1963 werd daarom naast gewone, buitengewone en ereleden een vierde categorie ingevoerd: aangeslotenen. Dat waren personen of organisaties die nog niet voldeden aan alle eisen voor volledig lidmaatschap. Zij vielen wel onder de regels en besluiten van de bond, maar hadden geen stemrecht en kregen hun rechten en plichten afzonderlijk vastgesteld.

In de praktijk kreeg dit begrip vooral betekenis door nieuwe vormen van golfinitiatieven, zoals oefenaccommodaties en (semi-)openbare voorzieningen, die niet pasten binnen het traditionele clubmodel. De belangrijkste vroege casus was Riverside in Schiedam. Deze accommodatie was opgezet als openbare golfgelegenheid met een drivingrange en korte holes. Binnen de gevestigde golfwereld bestond twijfel over status, veiligheid en de toestroom van onervaren spelers. Om Riverside niet direct als volwaardige club toe te laten, maar het initiatief wel binnen de organisatie te houden, werd in 1974 gekozen voor toelating als aangeslotene. Het jaar daarop volgde Recreatieschap Kleiburg als aangeslotene opgenomen. Daarmee werd duidelijk dat de status niet alleen bedoeld was voor bijzondere clubs, maar ook voor publiek georganiseerde golfvoorzieningen die nog niet aan alle formele eisen voldeden.

Zo ontwikkelde de aangeslotenenstatus zich van een abstract statutaire bepaling tot een praktisch groeimodel. Via Riverside en Kleiburg werd een brug geslagen tussen traditioneel verenigingsgolf en nieuwe, meer open vormen van golf, waarmee de basis werd gelegd voor het latere systeem van geassocieerde clubs.

Zie ook:

Index begrippen