Spelregels
Begrippen voorzien van een asterix worden verklaard in de aan het eind toegevoegde woordenlijst.
Als submenu bij Kolf is een PowerPoint-presentatie beschikbaar waarin het spel is gevisualiseerd.
Het spel
1. Het kolfspel wordt per partij gespeeld door drie kolvers, in bijzondere gevallen 2 of 4 kolvers. Iedere kolver speelt voor zijn eigen punten.
Men kolft met gummibal en kliek of sajetbal en kliek.
2. Een partij bestaat uit een combinatie van drie slagen per kolver: een ‘uitslag’, een ‘opslag’ en een ‘puntenslag’. Men kolft in een vaste volgorde:
Kolver 1 doet de uitslag
Kolver 2 doet de uitslag
Kolver 3 doet de uitslag
Vervolgens wordt in dezelfde volgorde achtereenvolgens de opslag en de puntenslag gedaan.
Deze drie slagen doet men nu vijf maal in bovengeschreven volgorde.
Het maximaal haalbare aantal punten per kolver in één partij is 60 punten.
3. De wedstrijdleiding bepaalt of er een ‘proefklap*’ mag worden genomen.
Plaatsbepaling
4. Bij de uitslag dient men het hart van de bal op het hart van de voorlijn óf achter de voorlijn te leggen, en niet ervóór.
Het is niet toegestaan de uitslag via het zijrabat* te slaan.
Raakt de bal bij de uitklap de voorpaal*, dan wordt een poedel* gegeven.
5. Raakt de bal bij de uitslag de achterpaal* of bij de opslag de voorpaal*, dan mag men een vrije bal nemen (een zogenaamde ‘aanbal’). Dat wil zeggen dat men de bal voor de volgende slag daar mag neerleggen waar men wil. De bal mag echter niet tussen paal en cirkel gelegd worden omdat dit geen speelveld is.
6. Raakt de bal bij de opslag de achterpaal* zo dun dat de bal achter de achterlijn komt, dan moet de speler zijn puntenslag doen vanaf de achterlijn links of rechts van de paal op een plek naar wens van de kolver. De achterlijn is de lijn waarop de achterpaal* staat.
Mist men bij deze opslag de achterpaal* geheel, dan is het een poedel*.
7. Ligt de bal bij de opslag of puntenslag in het veld tussen paal en ringen, dan moet de bal op de binnen- of de buitenring worden gelegd. Dit volgens een lijn gaande door het middelpunt paal en bal.
De speler mag kiezen van welke ring hij slaat.
a. Ligt de bal echter tussen de beide ringen (indien aanwezig), dan mag de bal van die plaats geslagen worden óf van de buitenste ring.
b. Ligt de bal op de buitenste ring, dan dient de bal van daar geslagen te worden.
8. Ligt de bal bij de opslag of puntenslag buiten de grote ring achter om de paal, dan moet de bal op de grote ring worden gelegd. Dit volgens een lijn getrokken door het midden van paal en bal.
Ligt de bal tussen de kleine en de grote ring, dan slaat men vanaf dat punt.
9. Ligt de bal bij de opslag of puntenslag tussen het rabat* en de belijning, dan moet de bal volgens een lijn gaande vanaf het midden van de bal en loodrecht op de desbetreffende lijn worden gelegd.
10. Wanneer een bal de zijlijn én achter- of voorlijn raakt, mag de bal gespeeld worden ter hoogte van de buitenste ring.
11. Ligt de bal stil op kruising van de lengte-breedtelijn van vak 1 naar 2 of vak 5 naar 6, dan mag gespeeld worden vanaf de hoogte van de lengtelijn van 1 en 6.
12. Kan een speler zijn normale stand niet aannemen voor het slaan van een bal omdat de afstand van het zijrabat* en de belijning te smal is, dan heeft de speler het recht om de bal te verplaatsen volgens een lijn van bijvoorbeeld 5, 10 of 15 cm naar binnen en vandaar evenzo vele cm naar achteren. Dit tot een plaats is bereikt waarop de speler wel zijn normale stand kan aannemen. De markeur beslist in deze.
Deze regel geldt niet in gevallen dat een speler niet kan richten.
13. Wanneer een speler de opslag vanachter de paal moet nemen en de paal wordt zo dik geraakt dat de bal achter de achterlijn blijft, dan moet de puntenslag worden geslagen vanaf de achterlijn links of rechts van de paal op een plek naar wens van de kolver.
14. De plaats van de bal dient afgekrijt te worden door de markeur vóórdat de speler de bal mag oppakken of met de kliek mag meenemen.
15. Het krijtpunt mag pas worden uitgeveegd nadat de bal geslagen is.
16. Indien de bal buiten de belijning van het speelveld ligt en verplaatst moet worden, dan dient de bal midden op de lijn te worden gelegd.
17. De speler mag geen merkteken met krijt of andere middelen op de paal of tussen bal en paal maken.
Het natmaken van de paal is alleen toegestaan in geval van achterballen.
Puntentoekenning
18. Bij de puntenslag telt het aantal punten dat staat aangegeven in het vak waarin de bal is blijven liggen.
19. Raakt de bal bij de puntenslag rechtstreeks de achterpaal*, dan wordt voor deze slag tien punten gegeven.
20. Raakt de bal bij de puntenslag terugkomende van het achterschot de achterpaal*, dan wordt zes punten gegeven.
21. Aan de speler die zijn bal uit de baan slaat, zal een poedel* worden gegeven.
22. Bij de opslag en bij de puntenslag dient de paal direct te worden geraakt. Raakt de bal indirect de paal dan wordt een poedel* gegeven.
23. Raakt bij de puntenslag de ronding van de bal de lijn, dan wordt het aantal punten gegeven van het meest tellende vak.
24. Wanneer een bal bij één van de drie slagen zo snel loopt dat hij na het achterschot geraakt te hebben weer terug naar voor loopt en daar weer via het voorschot de baan inloopt, dan wordt een poedel* gegeven.
25. Wanneer de bal bij de puntenslag de paal zodanig raakt, dat de bal geheel achter de achterlijn komt, dan wordt een poedel* gegeven. Ziet een speler dat de bal achter de lijn dreigt te geraken mag hij de bal niet voortijdig oppakken. Doet hij dit wel, dan geeft de markeur een poedel*.
Keren* en belemmeren
26. De speler die bij de opslag zijn bal keert, zal bij de puntenslag de bal moeten slaan vanaf de plaats waar hij deze heeft gekeerd. Dit op aanwijzing van de markeur.
27. De speler die bij de puntenslag zijn bal keert, zal het aantal punten worden gegeven van het vak waarin hij de bal heeft gekeerd.
Het is uiteraard niet toegestaan een te hard geslagen bal achterna te lopen en bewust te keren* in een vak met meer punten.
28. Keert een ander persoon dan de speler bij één van de drie slagen zijn bal, dan moet de speler deze slag overslaan vanaf de plaats waar deze slag is gedaan, of hij mag opnieuw beginnen met de uitslag. Hierin mag de speler zelf beslissen.
29. Wordt de loop van de bal door een voorwerp in de baan belemmerd bij één van de drie slagen, dan mag de speler deze slag overslaan vanaf de plaats waar deze slag is gedaan, of hij mag opnieuw beginnen met de uitslag. Ook hierin mag de speler zelf beslissen.
Materiaal
30. De bal en/of stok waar men mee is begonnen, mag tijdens een serie niet bewust worden verwisseld voor een andere bal of stok..
Het slaan van de tweede serie met een andere stok en/of bal is wel toegestaan.
31. Als een speler ontdekt per abuis met de verkeerde bal te spelen, dient hij dit direct te melden aan de markeur en verder te spelen met de goede bal vanaf de plaats waar de bal was blijven liggen. De klap mag niet opnieuw gedaan worden.
32. Ingeval van materiaalschade is vervanging toegestaan. De slag mag over met vervangend materiaal vanaf de plaats waar de schade optrad.
1/6-regeling*
33. Spelers die op grond van lichamelijke gebreken de 1/6-regeling* bij de bond hebben aangevraagd en verkregen moeten ook van deze regeling gebruik maken. De regeling geldt alleen voor de vakken 1 en 6.
Raakt de bal de lijn tussen de vakken 1 en 2 of tussen de vakken 5 en 6, of raakt de bal de achterlijn van vak 1 of 6, dan vervalt de regeling.
Algemene aanwijzingen
Als laatste nog de volgende algemene aanwijzingen die van zeer groot belang zijn bij het kolfspel.
Sta niet in de weg
Men belemmert als medespeler de speler die aan slag is niet in zijn spel. De regel hierbij is zeer eenvoudig:
• Loop na uw uitslag niet midden door de baan naar achteren.
• Ga ergens staan –eventueel op het rabat*, dus buiten de baan– ruim achter de speler die aan slag is.
• Ga nooit in het verlengde van zijn slag staan. Hier bedoelen wij mee vlak achter of bij de paal waar de slag naar toe moet gaan.
• Dit geldt tevens voor de ballen: haal deze weg en merk de plaats af met een krijtstreepje.
• Ga niet voor- of achterom een speler lopen die aan slag is. Dit verstoort zijn slag.
Inzet markeurs
Ook bij onderlinge wedstrijden is het zeer wenselijk om bij de voor- en achterpaal* een markeur te plaatsen. Zijn beoordeling wordt als bindend beschouwd en bespaart vele gissingen.
Bij bondswedstrijden is de inzet van markeurs verplicht.
Natmaken en afdrogen
Het natmaken van de paal bij achterballen dient door de speler zelf te gebeuren, indien hij dit wenst. Ook het afdrogen van de paal na de klap is voor verantwoording van de speler.
Markeur beslist
Het natmaken van de paal dient bij wedstrijden niet ter bewijsvoering of de bal de paal geraakt heeft. Dit beoordeelt de markeur op het gezicht.
Tot slot
Ingeval zich omstandigheden voordoen waarin deze reglementen niet voorzien, beslist de markeur in overleg met de wedstrijdleiding.
Verklarende woordenlijst
Poedel – Een poedel betekent dat een speler geen punten krijgt toegekend.
Aanbal – De bal raakt de paal bij de uitslag of de opslag en de speler mag de volgende klap nemen vanaf iedere zelf gewenste plek.
Keren – De bal raakt na het slaan de kliek of voet van de speler.
Kliek – De stok, eigenlijk specifiek het verzwaarde uiteinde van de stok. Er zijn twee soorten klieken, specifiek voor gummiballen en voor sajetballen.
Voorpaal, ook wel Bovenpaal – De paal van waar men met de uitslag begint en van waar men de puntenslag tegen slaat.
Achterpaal, ook wel Benedenpaal – De paal ‘achterin de baan’ die men wil raken bij de uitslag en moet raken bij de opslag.
Stukken - ander woord voor kolfpalen.
Proefklap – De eerste klap bij een wedstrijd die gegeven mag worden om de baan te verkennen. De plek waar de bal bij de uitslag stil komt te liggen wordt niet afgekrijt door de markeur. De speler mag voor de opslag een vrije bal nemen.
Partij – Serie van 5 x 3 slagen (uitslag, opslag en puntenslag). In een partij kan een speler maximaal 60 punten slaan.
1/6-regeling – Spelers die op grond van lichamelijke gebreken moeilijkheden ondervinden bij het ontwijken van een bal kunnen in aanmerking komen voor deze regeling. De bal wordt dan in de vakken 1 en 6 zodanig door de markeur verplaatst dat het risico van het snel weg moeten springen voor de bal sterk verminderd wordt.
Het schot – De opstaande rand van de baan, ook wel het rabat genoemd.
Optrek – Ander woord voor opslag of opklap.
Rabatteren – De bal via het schot (het rabat) spelen.
Bron: Spelregels aangevuld met termen uit de Kolfsport. Een uitgave van de Koninklijke Nederlandse Kolfbond.