Regelement op het KOLVEN voor het collegie in den thuin van DEN NACHTEGAAL - 1760
Herkomst: Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, in bruikleen gegeven aan het Rijksmuseum
Transcript:
REGLEMENT
OP HET KOLVEN,
VOOR HET COLLEGIE
IN DEN THUIN
DEN NACHTEGAAL.
Art. 1. Zes of meer Leden of Persoonen tegenwoordig zynde, die zich genegen verklaard hebben, om te Kolven, wordt ’er getrokken; ’t welk aan de Baan geschiedt.
Art. 2. Allen, die na den aanvang van een Spel inkomen en verkiezen mede te Kolven, trekken onderling: die zonder maat gespeeld heeft, trekt met hun mede.
Art. 3. Het medebrengen van Gasten en Vreemdelingen geschiedt volgends de Wet van het Collegie. Die éénen Gast medebrengt, om te Kolven, speelt met hem zonder mede te trekken; doch twee Gasten mede gebragt hebbende, om te Kolven, trekt hy zelf mede en speelen de Gasten te zamen; drie Gasten mede gebragt hebbende, om te Kolven, speelt hy met éénen van hun, en de twee overigen speelen te zamen, doch zulks by onderlinge schikking, en zoo voords.
Art. 4. Indien van twee der Leden of van twee der Gasten de Maats niet meer verkiezen te speelen, zullen die Leden of Gasten zelve Maats zyn. Wiens Maat voor eenigen tyd uit de Baan gaat, die speelt voor deszelfs reekening.
Art. 5. Men zal slechts met vyf Ballen speelen. Meer dan tien persoonen, om te Kolven, by een zynde, gaan ’er met elk Spel zoo veel Verliezers uit, als ’er Kolvers overig zyn; of men speelt by Ploegen.
Art. 6. By de verdeeling van Ploegen worden de sterkere en zwakkere Spelers gescheiden door eenen der Kolvers, dien de meerderheid van stemmen daartoe benoemt, waarna voor elke Ploeg op nieuw mag getrokken worden.
Art. 7. Men speelt vyf streepjes uit: doch met Verliezers af of met Ploegen kolvende, speelt men maar vier streepjens uit.
Art. 8. ’Er wordt noch om geld noch om gelag gespeeld, maar voor elk Spel ten voordeele van het Collegie door elken Verliezer betaald één stuiver, wanneer ’er met drie Ballen is gespeeld; één dubbeltjen, wanneer ’er met meer dan drie Ballen is gespeeld; het welk zoo wel des voor- als des na-middags wordt in acht genomen.
Art. 9. Verliezers afspeelende, mag niemand, die van het Spel af is, in de Baan blyven. Die dit, gewaarschuwd zynde, doet, verbeurt aan het Collegie zoo veel, als waarom gespeeld wordt, en moet evenwel uit de Baan. Het zelfde verbeurt hy, die, van het Spel afzynde, eenen Bal keert.
Art. 10. De uitslag geschiedt bezijden of agter het Bovenstuk. Die by den uitslag het Benedenstuk raakt, is van het streepjen af, als ’er met meer dan vier Ballen gespeeld wordt en een der overige Ballen mis is. Die by den tweeden slag het Benedenstuk mist, verliest terstond het streepjen: als ’er met meer dan vier Ballen gespeeld wordt en de overige Ballen raak zyn, of hy speelt alleen met de overige misballen door.
Art. 11. De Bal wordt geslagen van de plaats, waar hy ligt. Wanneer men, agter het eene Stuk liggende, op het andere wil geerten, mag men den Bal verleggen tot bezijden dat Stuk. Van onder de Boven- en Beneden-rabatten verlegt men den Bal tot binnen de gestelde Teekens. Van onder de Zyd’rabatten en het Benedenstuk naar het Bovenstuk moetende speelen, heeft men de lengte vry van de Klik der Kolf. Wanneer een geslagen of getrokken Bal niet verder dan tweemaal deze lengte afligt van eenen Bal, die geslagen of getrokken moet worden, mag die Bal de lengte van tweemaal de Klik worden agteruitgehaald, in geval de hinderende Bal vóórligt; of eenmaal de lengte der Klik vooruit, in geval dezelve agterligt.
Art. 12. Die by den tweeden slag het digtst ligt aan het Benedenstuk, slaat het eerst; de daar aan volgende de tweede, en zoo voords, het welk alzoo blyft geduurende dat streepjen. De zelfde rang heeft plaats aan het Bovenstuk, wanneer men by den uitslag het Benedenstuk geraakt heeft en ’er doorgespeeld wordt, speelende de raakballen vóór.
Art. 13. Ballen, die in het slaan of speelen op de Paal hinderen, worden opgebrooken. Geschiedt dit by den tweeden slag, dan krygt de opgebrooken Bal den naslag van allen. Wanneer ’er meer Ballen by den tweeden slag worden opgebrooken, verkrygen dezen den naslag van elkanderen, naar derzelver ligging. Geen Bal mag worden opgebrooken by den uitslag, noch by den tweeden slag van eenen Bal, die met den eersten slag het Benedenstuk heeft geraakt: Ook wordt geen getrokken Bal opgebrooken. Met meer dan vier Ballen speelende mogen de raakballen aan het Benedenstuk geene andere Ballen by den uitslag keeren, en mag de Bal, die op zulken Bal verloopt, verslagen worden.
Art. 14. Behalven de uitzonderingen van Art. 13. mag elk zynen eigen Bal opnemen, wanneer een ander op het zelfde Stuk zal speelen, het welk hy nog moet voldoen.
Art. 15. Die een getrokken Bal, met Kolf, Bal, Sleutel, Pypjen of hoe ook keert of aanraakt, krygt dien Bal voor zyne reekening. In de terugkomst van eenen anderen geslagen Bal alleen mag een getrokken Bal door denzelven worden medegenomen; of ook wanneer men zelf den Bal van party agter de Paal gehouden heeft, wanneer hy van voor de Paal speelde.
Art. 16. Een gekeerde uitslagbal mag verslagen worden; de Bal of Ballen, dien hy reeds geraakt mögt hebben, worden echter dan weder op derzelver plaats gelegd. De uitslagbal, agter het Benedenstuk gehouden zynde, mag by het verslaan hetzelve niet van vooren raaken.
Art. 17. Die by den uitslag van agter het Bovenstuk hetzelve raakt, mag niet verslaan; ook niet, die zich op eenen Bal verloopt, die in het spel is; en een Bal, door eenen Maat zelven gehouden, wordt niet geacht als gehouden, om verslagen te kunnen worden.
Art. 18. In het speelen van beneden naar boven eenen Bal raakende, die aan het Benedenstuk nog moet voldoen, verslaat men niet, maar wordt de medegenomen Bal weder op zyne plaats gelegd.
Art. 19. Een Bal, by den tweeden slag het Benedenstuk geraakt hebbende en agter dat Stuk gehouden wordende, wordt niet verslagen: maar, gehouden wordende voor hetzelve, mag verslagen en zelfs by het verslaan naar genoegen gelegd worden.
Art. 20. Gehouden wordende by het speelen op het Bovenstuk, mag men verslaan, als by den uitslag volgends Art 16. By het trekken agter dat Stuk gehouden zynde, verslaat men niet.
Art. 21. Men mag niet doorhaalen of doorstooten, wanneer de Bal ligt buiten den kring der Stukken.
Art. 22. Een Bal, kort vóór een Stuk liggende, mag niet worden doorgeslagen of doorgestooten, zoo dat dezelve, tegen het Rabat stuitende, weder voorby dat Stuk komt. Dit by toeval geschiedende, wordt die Bal verslagen en de Bal of Ballen, die door zulken slag mogten medegenomen zyn, op derzelver voorige plaats gelegd.
Art. 23. Men mag niet rabatteeren, het welk niet geacht wordt te geschieden, wanneer de Bal bezijden of voor het stuk ligt. Beneden rabatteerende, wordt de Bal weder nedergelegd ter plaatze, van waar hy werd geslagen. Boven rabatteerende wordt hy opgenomen, en winnen de overige Ballen door slechts aan te speelen.
Art. 24. Een Bal, die het Bovenstuk voldaan heeft, mag niet als winnende worden opgenomen, voor dat de Bal, die naslaat, van denzelven verliest.
Art. 25. Elk beoordeelt zynen eigen Bal wegens raak of mis.
Art. 26. Wie op of over zynen Bal slaat, wordt geacht zynen slag volbragt te hebben.
Art. 27. De meting der getrokkene Ballen geschiedt door een koord aan eenen ring, om het Stuk gelegd, de lengte hebbende van het Stuk tot in de hoeken agter het zelve. Verder af getrokkene Ballen winnen, naar maate zy nader zyn aan het Benedenrabat.
Art. 28. In den uit- of op-slag het Stuk met de Kolf raakende, het zy aan de Klik of aan den Steel, blyft men terstond voor dat streepjen staan.
Art. 29. De Bal, die buiten de Baan vliegt, verliest het streepjen, behalven in gevallen, waarin hy, binnen de Baan gebleeven zynde, had mogen verslagen worden.
Art. 30. Men mag blyven staan, zoo lang de Bal loopt, dien men geslagen heeft: maar geene beweging maken, om denzelven of ook eenen anderen Bal voord te dryven of te wederhouden, op verlies van het streepjen.
Art. 31. Met Maats speelende wordt het midden van de Baan altyd in acht genomen: het staat niet vry voor elkanderen te slaan.
Art. 32. Wie buiten het spel slaat, verbeurt aan het Collegie zoo veel, als waarom gespeeld wordt: zoo ook hy, die eenen verliezenden Bal opslaat, voor dat het streepjen uit is en daar door in het spel hindert.
Art. 33. Alle gevallen van geschil, die door dit Regelement niet kunnen worden beslist, worden beslist by de meerderheid van stemmen der Leden tot het spel behoorende.
Details: