Katknuppelen. 1897
In de hier voorafgaande Lijst der deelnemers bij het Feestprogramma uit 1897 is ook vermeld: 'Bij genoegzame deelneming zal op den laatsten dag PRIJSKATKNUPPELEN worden georganiseerd (natuurlijk zonder levende kat), mede uitsluitend voor leden van den bond.
Katknuppelen is een 'spel' dat veel is gespeeld. Tussen twee palen met een touw ertussen wordt een bierton gehangen en daar wordt een levende kat in gestopt. (De Kolfbond was netjes en gebruikte een 'nepkat') Vanaf een voorgeschreven afstand gooien de deelnemers aan het spel om de beurt met knuppels op de ton. Uiteraard gaat het opgesloten dier angstig mauwen en blazen, wat deels de lol was. Meer nog bestaat het vermaak uit engpret: zodra de ton in duigen viel, zoekt de kat ijlings een goed heenkomen en moeten de omstanders danig uitkijken dat dat niet via hun lijf, leden en kledij gebeurt. Met de ontsnapping van het mikpunt eindigt het katknuppelen. De laatste gooier krijgt de prijs.
Opmerkelijk is dat de lokale overheid een vergunning voor dit soort amusement verstrekte. Ook het stadsbestuur van Groningen gaf meermalen toestemming voor wedstrijden, die herbergiers meestal op officiële feestdagen als ’s Konings verjaardag of Bommen Berend organiseerden, bijvoorbeeld achter herberg 'De Groene Weide' hing dan een touw over het Boterdiep, waaraan een levende paling hing. De deelnemers moesten staande op een snel bewegend scheepje die glibberige paling vastgrijpen, wat vaak op een nat pak uitliep. Uiteindelijk ontving degene die de aal toch te pakken kreeg de prijs – een zilveren zakhorloge, tabaksdoos of gouden tientje.
Volgens krantenverslagen kwamen er horden toeschouwers op deze aaltrekkerijen af, maar liep het aantal actieve deelnemers wel terug. Zo gaven in 1840 een 21-tal mannen blijk 'van hunne vlugheid, kracht en vol¬hardende ijver' bij een aaltrekkerij, terwijl eenzelfde 'kluchtspel' in 1851 nog maar zes deelnemers telde.
Veelzeggend is ook, dat de aaltrekkerijen na 1859 niet meer voorkomen in de Courant. De laatste melding betrof er één bij een Landhuishoudkundig Congres in Winschoten, een evenement dat meer dan 1700 boeren en buitenlui trok.
Ondanks alle toeschouwers mag de betekenis van deze ‘dierkwellende spelen’ niet worden overschat. Want van het totale aantal volksvermaken vormden ze maar een fractie. Met name harddraverijen kwamen onnoemelijk veel vaker voor. En ook al stak iemand een renpaard wel eens gember in de kont, zulke wedstrijden vormden toch een andere categorie.
Regelrecht ‘dierkwellende spelen’ als katknuppelen, aaltrekken, en ganssabelen waren voor de negentiende eeuw allang op hun retour. Veel lokale en regionale overheden hadden ze al eens verboden, vooral op instigatie van de bevoorrechte kerk. Die ging het echter niet zozeer om de dieren, als wel om het zieleheil van deelnemers en toeschouwers. Dergelijke volksvermaken vonden immers vaak op een zondag plaats, terwijl er ook nog eens overvloedig drank bij vloeide.
Dat dit amusement volledig uitstierf danken we aan de georganiseerde, nog tamelijk elitaire, maar al meteen zeer invloedrijke dierenbescherming, die vanaf 1864 druk ging uitoefenen op allerlei overheden. Zo brak een Utrechts lid in 1868 in meerdere kranten de staf over een evenement met gemeentevergunning in het Friese Jorwerd, waarbij de deelnemers vanaf een bootje de met vet ingesmeerde kop van een levende gans moesten aftrekken. 'Zóó vermaakt men zich nog heden ten dage in het vrije en verlichte Friesland', riep de ingezonden briefschrijver uit. 'Laat ons zwijgen over hetgeen in het land der Inquisitie gebeurt bij de stierengevechten, zoolang er nog gruwelijker dingen in ons eigen land worden geduld.' En ’s mans actie had succes, want de Friese én de Groningse Commissarissen des Konings schreven alle gemeentebesturen aan om 'wreedaardige volksspelen' als katknuppelen, palingtrekken en ganssabelen, 'waar die nog bestaan', te verbieden als 'overblijfselen van den ouden onbeschaafden tijd'.
Dat gemeentebesturen hier ook gehoor aan gaven, blijkt weer in 1874, als ene Civis Hooglandicus meldt, dat 'vele van die barbaarsche volks¬ver¬makelijkheden' hier definitief tot het verleden behoren.
Landelijke wetgeving tegen dierenmishandeling kwam er pas in 1886, waarmee Nederland ver achterliep bij de meeste Europese staten (Servië had er zelfs stokslagen op gezet). Ook dan zijn het verbod en de sancties niet ingegeven door het lijden van dieren, maar omdat dergelijke wreedheden mensen kwetsten. Het betrof een stukje zedenwetgeving, dat in het Wetboek van Strafrecht tussen openbare dronkenschap en pornografie terechtkwam.
Juist in Amsterdam traden bepaalde elementen het verbod met voeten. Een door de politie verijdelde aaltrekkerij gaf in juli 1886 aanleiding tot een oproer, dat neergeslagen werd door 450 soldaten en 26 mensen het leven kostte. Vaak is dit Palingoproer in het perspectief geplaatst van de ontluikende arbeidersbeweging, en zeker deden er jonge socialistische rauwdouwers aan mee, maar leiders als Domela Nieuwenhuis distantieerden zich er dadelijk van. Met katknuppelen en aaltrekken wilden zij niets te maken hebben.
Tekst: Harry Perton
Bron: archief kolfclub 'Utrecht St. Eloyen Gasthuis'