Jeugdherinnering negentiende eeuw
In een onbekende krant uit ca 1938 lezen wij het volgende verslag met kolfherinneringen uit de negentiende eeuw.
HET NEDERLANDSCHE KOLVEN
Met als einddoel: de kachel in een herberg
Onlangs was er in de sportrubriek sprake van het oude Nederlandsche kolfspel. Er werd daarbij twijfel uitgesproken aangaande de bewering, dat bij dit spel een herberg of gelagkamer het einddoel zou zijn geweest. Het is waarschijnlijk voor vele lezers interessant te vernemen, wat te dien opzichte door twee oude Katwijksche visschers, in de veertiger jaren van de vorige eeus geboren, uit hun jeugdherinnering is medegedeeld.
(...)
In Katwijk noemt men het kolfsklooten en skiet(k)looten (de k is na de t uitgevallen, en ook de visschersterm 'skietloote' werkt hier mee). Reeds Le Francq van Berkley in zijn Natuurlijke Hostorie zegt: 'Dit spel... is bovenal in gebruik bij onze strandbewoners. Men noemt het aldaar Schietklooten.'.
De Katwijkers beoefenden het in het begin van den winter, wanneer aan het einde van het haringvangstseizoen de bomschuiten op de duinen stonden en de visschers 'met behouden teelt' vrijwel vacantie hadden. Het eigenlijke kolven deed men op het strand; de 'kloot' werd over een bepaalden afstand geslagen, winnaar was hij die voor doen afstand de minste 'klappen' nodig had. Maar wanneer de hartstocht voor het spel was ontbrand, werd het gestelde baantje verlaten en rende men langs het strand naar Noordwijk, van daar 'binnen door' via Noordwijk- en Katwijk-Binnen naar Katwijk aan Zee terug. Op afstanden geplaatste steenen of de boomen op palen langs den weg waren de 'doelpunten', waarlangs zich de zwoegende en rennende 'ploegen' gewogen en bij dit 'skietklooten' was inderdaad de kachel in de kamer van een herberg het einddoel.
Ik laat hier nu volgen wat de twee 'ouden' te zeggen hadden over het kolven en over het ommegaande schieten. Den Katwijkschen klankvorm zal ik hierbij moeten vereenvoudigen; de woordkeus en zinsbouw mogen den lezer echter niet worden onthouden.
'Van dat ouderwetschen zou ik nog rijkelijk op kunnen geven, als het maar in mijn gedachten schieten wil. Nu heb ik nog zitten denken in m'n eenzaamheid: vroeger 's winters, als we behouden teelt hadden - ik spreek van m'n jongen tijd hoor! - nu, dan stond je gemeenlijk zoo'n week of twaalf, dertien op de rollen (= ronde balken waarop de schuiten rustten en verplaatst werden). Dan gingen we 'skietlòòte' of 'kolfsklòòte': Slaan met een stok en 'n vierkant stuk hout (er aan); de stok stond een beetje 'terzèt'(= schuin aan dat hout). Dan waren wij jongens, dan liepen wij vooruit, en dan gingen we 'taite' (= tuiten, puntige zandhoopjes) maken: van die hoopjes zand, daar moesten de 'kloote' bovenop. Dan stonden ze (= de maanden die speelden) zoo, net als ik nu sta, dan namen ze den stok en sloegen ze zoo die kloot een eind weg over het strand. Ze sloegen vierkant over de Watering heen, eer hij op den grond kwam, zoo over de Watering heen.' Men moet dit zoo begrijpen, dat de kolfbaan begon bij het tegenwoordige hotel De Zwaan en dat er spelers waren die in één slag eenige honderden meters ver sloegen. De tweede verteller preciseerde namelijk het kolven aldus:
'Bij De Zwaan' heeft een kolfbaan gestaan. Maar ze deden het ook op het strand. Dan werd de bal op 'den toren' (= 'tait') gezet. Nu ging het om de 'klappen' (= het aantal slagen) naar de Watering (= het kanaal dat bij de sluizen in zee gaat). En weet je wie daar de felste klapper van was? Keesje Leen. Die sloeg 'm in eene klap 'drijvens' (= zoo maar) in de Watering. Hier bij de 'wurf' (= het strand vóór de Dorpsstraat) vandaan drijvens in de Watering. Dat werd altijd gedaan, als het een harde strand was. Dat spel ging om beurten, man voor man.'
Maar men kon, gelijk gezegd, het kolfspel uitbreiden in de richting van Noordwijk langs het strand. De jongens liepen al maar vooruit, om de 'taite' te maken: 'Wij liepen maar vooruit, maakten dat we de 'taite' (klaar) hadden. Jongelui sloegen er, en getrouwden ook. De kolfsklooten waren zóó groot (ca. 1 dm). Dan gingen we naar Noordwijk; Noordwijk door ging het, naar (onleesbaar), dan ging het op boomen, die daar stonden van de tol tot de (touw)baan toe. Dan kwamen we zoo bij de derde sluis uit. Dan gingen we zoo Katwijk Binnen door naar de Nieuwe Aanleg, die stond ook aan den Noordkant (van den hoofdweg). Dat was een her(...onleesbaar) hoor! Dáár stond een deur waar je in kwam en dáár had je een deur naar de kachel en dáár ging het op heen. Maar was het nu zoo dat je dacht: 'Ik kan het winnen!' (die hoefde niet te betalen in den pot), dan ging hij (de bal) soms het laatste eindje door het glas heen: die ruit die werd toch betaald, en kolfde je verder met een snee in de neus, dat begrijp je wel. Dan gingen we op Katwijk Binnen af zingende aan.
'Skietloote' dat was weer anders (...onleesbaar) Hier nu bij de Watering af, dat was (...onleesbaar) duin over weerszijden. Dan gingen we bij den huizen vandaan, bij Hein van Reine aan de Sluisweg. Dan gingen we op het Sch(...onleesbaar) naar de tweede sluis. Dat (skietlooten) deeden we op stéénen, een stuk of zeven acht op elkaar, daar ging het op. Wie er het eerst was, die won. Dat ging op de Watering aan (...onleesbaar) die ligt er nog over de Watering. (...Onleesbaar) dan ook zoo recht door naar Katwijk Binnen skietlootende, aan. Dan kwamen we op het einde van het Mallegat, en dan op den Nieuwe Aanleg toe (de herberg (...onleesbaar) gingen we ook weer net eender als met (...onleesbaar) klooten. Die tegen den an sloeg, won het. 'Op het veld' noemden we dat, 'op het strand' ging het op de 'taite'.
(...)
Tekst uit een krantenknipsel, oorspronkelijk uit de verzameling van M.D. Kalker, voormalig voorzitter van de Kolfbond.
Bron: Stadsarchief Amsterdam en Annette Klinkert