I. Forrester, Geschiedenis van clubmakers - 2021

Geschiedenis van golfmateriaal, club- en balmakers in de vroege periode (1600-1939)

Golf was populair genoeg in 1457 om verboden te worden door de Schotse koning. Er zijn geen clubs meer uit deze periode, maar waarschijnlijk vertoonden ze veel gelijkenis met de eerste clubs van 1600 die nog wel bestaan. De beroemde Troon clubs (zie foto) zijn een voorbeeld hiervan. Deze set van 8 clubs is waarschijnlijk eigendom van een van de Schotse koningen geweest.

De clubs uit de zeventiende en achttiende eeuw waren niet met een naam van de maker gesigneerd maar de namen van enkele makers zijn wel terug te vinden in het Koninklijk archief van deze perioden. Het merendeel van een set waren play clubs (zie foto linksonder) (longnose woods), meestal 5 of 6 met verschillende hellingshoeken, ijzers waren zeldzaam in die tijd omdat deze de bal, een feathery (zie foto), die zeer kostbaar was, makkelijk kapot konden maken. 

De meeste spelers namen een of twee track/rut ijzers (zie foto rechts boven) mee maar gebruikten die alleen om een bal te slaan vanuit een positie waar een slag met een wood niet mogelijk was.

In de 19de eeuw begonnen de makers van golfclubs voor het eerst de clubs te markeren met hun naam. Legendarische namen zoals Philps en McEwan stammen uit die tijd. Longnose clubs werden vaak koppen gemaakt van beech en de shafts van ash of hickory met een handvat van schaapsleer.

De koppen waren lang en slank en begonnen pas rond 1850 wat dikker te worden. Dit viel samen met de komst van de eerste rubber ballen, de gutty (zie foto rechts).

Rond 1890 kregen de woods langzaam de vorm van moderne woods en werd de kop bevestigd aan de shaft met en socket joint (vergelijkbaar met die van vandaag).

IJzers begonnen na de komst van de gutty populairder te worden. Lokale smeden probeerden wat bij te verdienen met het maken van een paar ijzers. Toen dit aansloeg begonnen zij steeds meer ijzers (cleeks) te maken. Anderson, White en Gray zijn en paar van de vroegste makers. Makers begonnen hun naam of hun cleekmark (bedrijfsmerk) op de club te zetten. En tot op de dag van vandaag wordt deze informatie gebruikt om clubs te dateren. In 1880 werden alle golfclubs in Schotland geproduceerd (80% binnen 15km van St Andrews); vanaf 1890 begonnen een paar bedrijven in Engeland clubs te produceren en 5 jaar later begonnen de eerste Amerikaans fabrieken pas.

Rond de eeuwwisseling waren veel van de bekendste cleekmakers actief. Namen als Condie Stewart, Gibson en Gourlay zijn vergelijkbaar met de merken Titliest, Mizuno en TaylorMade van vandaag. 

De slagvlakken van ijzers waren tot 1905 glad (zonder lijnen of punten). Deze ijzers (smooth face irons) worden het meest gezocht door verzamelaars. Na 1905 begonnen fabrikanten en golfers deuken (dots) te slaan in de slagvlakken omdat deze meer backspin produceerden. Na 1910 ging men vaak over op lijnen (grooves).

Hand forged ijzers waren gemaakt van staal en daardoor vatbaar voor roest. Pas rond 1920 begonnen fabrikanten roestvrijstaal te gebruiken. Met de komst van de eerst stalen shafts begon de vraag naar hickory clubs iets terug te lopen. Na 1929, toen stalen shafts legaal werden verklaard, was het definitief gedaan met hickory. De meeste bekende makers stopten tussen 1930 en 1939 met de productie van hickory clubs.

In plaats van nummers zoals tegenwoordig het geval is, hadden vroegere clubs namen om hen van elkaar te onderscheiden. De clubs in de foto onder zijn een typisch voorbeeld van een set uit 1910.

Driver = 1 wood

Spoon = 3 wood

Cleek = 1 iron

Mid iron = 4 iron

Mashie = 6 iron

Mashie Niblick = 8 iron

Niblick = pitching wedge

Putter = putter