Het Kolven (2) - 1887

Schiedam

1887
88

Het Kolven.

Wijze: 'De kolfbaan is in feestgewaad!'

Tekst als bij Het Kolven (1), 1887, met uitzondering van de laatste twee coupletten en de toevoegingen:

Wie weet er op dit wereldrond

Een spel zoo prettig, en gezond,
Zoo edel, als het kolven. (bis)

't Oud Hollandsch spel dat ons het bloed

Met kracht door d'adren stroomen doet,
En door het harte golven. (bis)

Komt heeren, komt, bekijken wij

Het schoone spel meer van nabij,
Met al zijn vreemde termen. (bis)

Bij elke slag een ander woord,

En, zulken, die men zelden hoort,
Men telt ze maar met zwermen. (bis)

Eerst wordt de 'Stoof' geïnspecteerd,

Daarna de 'Palen' afgesmeerd,
Dan hoort met 'uitslag' Heeren! (bis)

De ballen snorren door de baan,

En 'voor- en achterkolvers' staan
Hun gang te observeeren. (bis)

Het doet den kolver steeds pleizier,

Wanneer de ballen 'half vier',
Of op de 'Matjes' komen. (bis)

Maar komen zij slechts 'half baan',

Dan is de 'Voormaat' slecht voldaan,
De kans wordt hem ontnomen. (bis)

Een 'Opbal' heeft men 't liefst van al

Een 'Meisje' (mis) een gek geval,
Mag men zijn 'Maat' niet geven. (bis)

Twee palen tegelijk is kras

En 'driemaal staan' dan klinkt het ras:
Wij zullen met hem 'leven'. (bis)

Met hoort somtijds: 'Ik moet er uit'

Zoo'n 'Snijbal' laat, het is verbruid,
In lang niet met zich spotten. (bis)

Dat 'achterin' is toch een kruis,

Misschien breng ik ze wel 'dood t'huis',
Maar met 'n drie, vier, 'Schotten'. (bis)

De bal wordt soms ook 'doorgehaald',

'Onder de baan door', is bepaald
Om zich haast dood te treuren. (bis)

Het 'trekken' en het 'kolf aan stek',

Al klinkt dit laatste ook wat gek,
Ziet men toch ook gebeuren. (bis)

Wanneer het spel staat 'om de zweep'

Verliest, betaalt die gaat om zeep
En 't is niet om te smalen. (bis)

Maar 'n ...... bal, het bleek weer klaar

Kan 't tegen ...... 't is maar weer waar
Toch op den duur niet halen. (bis)

-----
Is niet om op te smalen

Maar kon 't toch weer niet halen (2 maal bis)

-----

De kolfbaan is in feestgewaad

Hoe sierlijk toch zoo'n plantje staat
Wilt alles niet verdrijven. (bis)

Verzoeken wij dan aan 't bestuur

Dat iets er van ook op den duur
In onze baan mag blijven. (bis)

En als wij dan een volgend jaar

De kolvers roepen bij elkaar
Uit al de vier windstreken. (bis)

Dan sieren wij de baan weerop

En hijschen alles ja ten top.
In 'n baan vrij van gebreken. (bis)

=====

Wij hebben de baan zij staat er

Ze breken haar niet af

Hoera voor hem die ons haar

Door zijn bemoeijing gaf.

-----

Hij heeft thans in de baan,

Maar welk een schoon verband,

Ook in het dagelijksch leven

Een kolfje naar zijn hand.


Bron: Stadsarchief Amsterdam, inventaris M.D. Kalker, Do Smit