Het kolfspel
In de Nederlanden werd in het begin van de achttiende eeuw naast malie het kolfspel erg geliefd. Het korte spel werd op een kolfbaan, als het ware een verkleinde maliebaan, gespeeld.
De banen waren ongeveer 24 tot 30 meter lang en circa 5 meter breed. Zij waren rondom begrensd door houten schotten, die in de loop van de jaren steeds lager werden en die net als bij het maliespel 'rabat' heetten.
Veel banen waren echter kleiner en dat maakte voor het spel zelf ook weinig uit. Dit kortere spel was vanzelfsprekend van invloed op het te gebruiken spelmateriaal. Op de oudste afbeeldingen waren de kolfspelers nog in de weer met hun kleinere ballen en lichte stokken van het eerdere colfspel.
Als doelen werden, net als bij het maliespel, twee palen gebruikt die in de lengteas van de baan werden geplaatst, op enige afstand van de kopse rabatten. Deze palen werden aanvankelijk loodrecht en later enigszins schuin, naar het midden overhellend, geplaatst en heten ook wel 'de stukken'. Er was geen middenpoort meer, zoals op de maliebaan. De bal bleef aan de grond en daarom konden de kantschotten laag zijn.
In tegenstelling tot de huidige spelregels (met scorestrepen op de vloer) is tot 1882 gespeeld met het zogenoemde 'streepjeskolven'. De regels voor het streepjeskolven waren overal verschillend, maar in het kort komt het er op neer dat diegene wiens bal bij de laatste klap het verste komt die slag heeft gewonnen en een streepje krijgt. De kolver die het eerst vier streepjes heeft is winnaar van de partij. Ook deed men wel dat de verliezer een streepje kreeg en bij vier streepjes was men verliezer van het partij en moest meestal het gelag betalen.
De kolfvereniging in Opmeer heet “De Vier Enen “ , naar de vier streepjes. Voor de invoering van de puntentelling in 1882 stonden er geen strepen op de baan, als niet te zien was welke bal het verst gekomen was mat men dat na met een touw vanaf de paal. Om die reden zijn de strepen van de eerste 6 vakken in de baan van het St.Eloyen Gasthuis bogen. Nu hebben alle andere banen rechte lijnen.
Het grote verschil met andere balspelen uit die tijd was dat bij kolf de palen geen doel op zich zijn, maar evenals de rabatten deel uitmaken van het spel. Men moest niet lukraak slaan (Mnl. luckeraec = op goed geluk) en vooral niet 'de paal lelijk misslaan'. De paal moest worden geraakt en er kan, zoals bij het jongere biljarten, via de band worden gespeeld. Dit heet bij het kolfspel het 'rabatteren'.