Het kolfmateriaal

Bij het kolfspel kwam het er op de korte baan niet op aan om de bal zo ver mogelijk te krijgen, maar ging het vooral om het juiste richten. Zwaarder materiaal is daarvoor beter geschikt. Al spoedig werden dan ook de oude colfattributen vervangen. De ballen bij het kolfspel werden groter en de klieken zwaarder. Mogelijk heeft men domweg ervaren dat het precisiespel met de kliek van de ijscolf beter ging. Een speler had een eigen kliek nodig om zijn veerkrachtige bal te 'klappen', niet echt slaan zoals bij colf, maar eigenlijk meer voortschuiven.

De kiek had een brede en korte steel, met onderaan een metalen slof, ook wel kolf geheten, die met de steel een stompe hoek vormde en beschreven werd als 'ongeveer een palm lang bij ruim een vierde breedte' (Lat. palma = uitgespreide hand). In de vaak holle kolf werd lood en later ook wel hars gegoten. De jongere meer luxe kliek had een in messing uitgevoerde kolf.

Bij de wedstrijden die de herbergiers uitschreven, was soms een prijskliek met zilveren kolf te winnen. Een bekende meester in dit zogeheten prijskolven was Appie Richter, kruier en oesterverkoper in de Kalverstraat te Amsterdam.

De ballen waren oorspronkelijk met haar gevuld (vergl. kaatsballen), maar na 1600 ook wel met kluwen sajet en opgebouwd ongeveer als een tennisbal, met zeer fijn koperdraad ineen gewerkt en met leer of zijde overtrokken. Het koperdraad bleek het beste bestand tegen nattigheid, maar met de tijd verdween bij het kolf op veelal overdekte banen die noodzaak. Later werd ook de buitenkant met sajet beplakt. (Sajet is tot garen gesponnen wol, meestal gekaard, maar niet gekamd. De draad is daardoor minder vast en glad.)