Drie publicaties, 1599 t/m 1636

Twee publicaties en een placaat uit het Groot Utrechts Placaatboek III Deel, bladen 438 en 439, uit 1599, 1600 en 1636.

Het is duidelijk dat de overheid van de stad Utrecht het kolven op straten en kerkhoven (en andere ongerief veroorzakende spelen) eigenlijk niet onder controle kreeg. Tegen de verordeningen in, zo bekent het stadsbestuur, groeien deze spelbeoefeningen in tal en last. Lees de teksten en laat u overtuigen:

X. PUBLICATIE, tegen het kolven, kloot schieten, dobbelen &c. op 's Heeren straten, den 31 Decemb. MDXCIX.

Men verbied allen en een yder, zy zyn jong of oud, op geene kerkhoven, publicque plaatsen, en 's Heeren straten te kolven, of de kloot te schieten, te dobbelen, of een ander onbehoorlyk spel aan te rechten, op poene van ses gulden; en sullen de ouders voor hare kinderen moeten innestaan en respondeeren.

XI. PUBLICATIE, op het voorsz subject, den 31 Decemb. MDC.

Alsoo men bevind, dat niet tegenstaande verscheyde Publicatien, ende beveelen van niet te kolven, kaatsen, of de kloot te schieten, op eenige kerkhoven of straten, &c. sulks evenwel niet gelaten, maar meer en meer gedaan word, in kleynachting van de voorsz bevelen, dat men geensints langer wil gedogen; soo is 't, dat myn Heeren Schout, Burgemeesteren en Schepenen deser Stad wel ernstig nogmaal by desen bevelen, allen en een yder, wie zy zyn, kleyn of groot, jong of oud, niet te kolven, kaatsen, of de kloot te schieten op eenige kerkhoven, merkten, of straten, tot behoef van den bekeurder; daar toe geauthoriseert werden des Stads dienaars en boden, met ook de buyten dienaars van den Officier; ende sullen de ouders voor hare kinderen moeten verantwoorden; ende die geen middelen hebben, sullen daar over arbitralyk gecorrigeert worden, tot discretie van den Gerechte.

Men voege hier by het Placaat tegen het brengen van dooden in de kerk onder de predikatie, en tegen het geraas maken ten selven tyde, den 10 Novemb. 1585; en van den 9 Decemb. 1588. Siet het II. BOEK. X. Tyt. III. Deel.

Ordonnantie tegen het smyten van vuyligheyd op de kerkhoven &c. of aldaar te kolven, dobbelen &c. den 21 Decemb. 1591; 29 Novemb. 1597; 1 Septemb. 1598; 7 Februar. 1611. Siet het II. Boek. XIX. Tyt. I. Deel.

XII. PLACAAT, van niet op Sondagen, of eenige andere dagen, op publique plaatsen te kolven, kloot schieten &c. of sneeuwballen te werpen, den 21 Novemb. MDCXX; en gerenoveert den 18 Februar. MDCXXXVI.

Alsoo niet tegenstaande voorgaande Ordonnantien ende Placaten, geëmaneert op de groote insolentien ende ongeregeltheden, die by veele zoo oude als jonge luyden gepleegt worden, op de kerkhoven, deser Stads plaetse, op de Neude, ende andere publique plaatsen, men evenwel bevind, dat zulks niet nagelaten, maar in vilipendie van de voorsz beveelen meer en meer gedaan word; 't welk in een Stad, daar goede Politie geoeffent word, niet behoort getolereert, nemaar geweert en gestraft te worden. Soo is 't, dan, dat myne Heeren Borgemeesteren ende Vroedschap voornoemt by desen nogmaal wel scherpelyk ende ernstig ordonneeren ende beveelen allen en een ygelyk, jong of oud, kleyn of groot, van wat qualiteyt hy zy, sig van nu voortaan neerstelyk te wagten, en onthouden van op eenige kerkhoven, deser Stads plaatse, Neude, merkten, straten, ofte andere publique plaatsen binnen desen Stad, tot eeniger tyd op sondagen, ofte eenige andere dagen te kolven, kaatsen, kloot te schieten, met steenen (1) of sneeuwballen te werpen, met bussche of boge na duyven of tinnen te schieten, met kaart of dobbelsteenen, met bikkelen of knikkers te speelen, legpenningen aan te werpen, vloeken of tweeren, of eenige andere diergelyke ongeschiktheyd te bedryven, veel min eenige andere vergaderingen te maken, om met houte stokken, roeden, steenen, of ietwas anders te stormen, ofte te vechten, op poene van by yder te verbeuren ses gulden, soo dickmaal hy of zy bevonden zullen worden 't geene voorsz staat gedaan te hebben, tot behoef van den bekeurder ende Officier, die de executie doen zal, elk de helfte, ende daarenboven nog op Hasenberg te water ende te brood gestelt te worden, tot kosten harer ouderen, ende voorts arbitrale correctie, tot discretie van den Gerechte; ende sullen de ouders voor hare kinderen, zoo veel de pecunieele boete aangaat, moeten verantwoorden.

(1) Dit woord is in de Publicatie van 1636. bygekomen.

Men kan by dit Placaat voegen verscheyde Ordonnantien op het vieren van den Sondag, met de renovatiën en Ampliatien van dien; te vinden in het II. Boek. I. Tyt. II. Deel.

Bron: archief St. Eloyen Gasthuis