Citaat uit De Kolver

'Ga en zie zelf, of wilt gij uw fatsoen en uwen stand in de maatschappij niet benadeelen door in eene boerenherberg binnen te treden, welnu rijd dan naar Dordrecht, waar de rijke kooplieden voorheen zulke fraaie kolfbanen bouwden, in welke de heerlijke Rhijnwijn met ankers werd geschonken en men onder het kolven vierkante stukjes oude Hollandsche kaas met beschuit aanbood, maar haast u, want het biljart, dat, uit Frankrijk afkomstig, zich in een groot gedeelte van Europa heeft gevestigd, dat spel, waartoe minder krachtsontwikkeling dan tot het kolven vereischt wordt, verdringt de eerwaardige kolfbaan, die reeds door de landbouwers en door den handwerksman begint verlaten te worden. Spoedig zal het kolfspel geheel in onbruik zijn, en wanneer men dan een nog beknopter spel dan het biljart zal hebben uitgevonden, dan zal men zich met evenveel verwondering afvragen: hoe hebben de menschen toch kunnen kolven? Als wij thans met moeite kunnen gelooven, dat twee of drie slagen met eenen ijzeren hamer, die aan eenen lange dunne rotting was vastgemaakt, genoegzaam waren, om zware houten ballen tot aan het einde der lange maliënbanen te brengen, welke nog bij de meeste onzer steden gevonden worden'.

Citaat uit het hoofdstuk De Kolver is afkomstig uit 'De Nederlanden, karakterschetsen, kleederdrachten, houding en voorkomens van verschillende standen' met gravures 'naar teekeningen van de voornaamste Nederlandsche kunstenaren' van Henry Brown, in 1841 uitgegeven te 's Gravenhage door de 'Nederlandsche Maatschappij voor Schoone Kunsten'.

Archief Kolfclub 'Utrecht St. Eloyen Gasthuis'